“Er zat een kaartje in mijn schaats”

(fragment)

‘Op een dag kom ik bij Waterman in de winkel mijn schaatsen brengen om nieuwe ijzers te laten zetten en daar staat een heel leuk meissie. Ik wist helemaal niet dat Frits Waterman een dochter had. Ze werkte nog maar kort bij haar vader. Ze was toen negentien, Gaby dus, en ik vijfentwintig. We praatten wat. En na een week kom ik terug om mijn schaatsen op te halen. Zodra ik binnenkom, zie ik Gaby meteen naar achter lopen, naar het privé-gedeelte. Frits Waterman, haar vader, zegt tegen mij: “Je moet je schaatsen nakijken”. Ik zeg: “Ik mijn schaatsen nakijken? Hoezo, het zijn toch nieuwe ijzers?” “Jij moet je schaatsen goed nakijken. Doe nou maar.” En in mijn schaats blijkt een kaartje te zitten! Ze had haar vader al uit lopen horen wie ik was en wat ik allemaal deed en Frits had gezegd: “Daar moet je niet aan beginnen. Die jongen sport, die heeft helemaal geen tijd voor je”. Maar ze nam dus toch initiatief en Frits had zich daar maar bij neergelegd.
Ik ben toen vrij gauw terug naar de winkel gegaan. Ik kwam binnen, ze zag me en liep meteen de werkplaats in. Ik achter d’r aan en ik zeg tegen haar: “Nou vertel ’t maar, wanneer je een keer weg wil. Jíj mag ’t zeggen, ik kan alle avonden”.
En zo is het gekomen. Dit gebeurde op 2 oktober 1992. Die datum houden we aan als het begin van onze verkering’

TERUG